Het wilde konijn

Het wilde konijn is afkomstig uit Zuidwest-Europa en Noord-Afrika. Daar werd al in het begin van onze jaartelling op dit knaagdier gejaagd met fretten. Al in de middeleeuwen werden konijnen gefokt voor het vlees. Ontsnapte of losgelaten exemplaren vermenigvuldigen zich in het wild.

Het konijn komt nu tot in Polen voor. Later zijn konijnen ingevoerd in Zweden en in Australiƫ. De rassen van het tamme konijn zijn allemaal voortgekomen uit het wilde konijn.

In Nederland komt het wilde konijn op zand- en leemgrond en in de duinstreek algemeen voor. Op lager gelegen gronden en in natte gebieden graaft het konijn zijn holen in dijken, spoorbanen en dergelijke.

Bejagen/Beheren:
Bejagen van 15 augustus t/m 31 januari; het gehele jaar te beheren.

Leefomgeving:
In rustige gebieden is het konijn ook overdag boven de grond, vaak om zijn  vacht te drogen. Zij verbergen zich dan in de dekking en blijven op hun hoede. Bij het minste teken van gevaar trommelen ze met de achterlopers om hun soortgenoten te waarschuwen en "lopen onder".

Voortplanting:
Ze krijgen tot 40 jongen per jaar en leggen per worp 3-9 jongen.